Feeds:
Berichten
Reacties

Zaterdagochtend, 8 mei 1982, 9 uur. Ik wil in de auto stappen bij meneer Kwasny, rijschoolhouder te Maastricht, voor mijn eerste rijles. Maar ik sta aan de verkeerde kant van de auto, ik mag niet achter het stuur maar moet op de passagiersstoel. Ik mag niet doen waar ik al jaren naar snak: gas geven! Op mijn plek zit meneer Kwasny, en hij rijdt naar een rustige weg, zet de auto stil en begint uitgebreid uit te leggen hoe je naar het verkeer moet kijken. Pas de laatste 10 minuten heb ik echt les, en mag ik zelf een stukje sturen. Alleen sturen, voeten plat op de grond, handen aan het stuur – de rest van het autorijden doet hij. 37 lessen later slaag ik in één keer.

In geen van die lessen heb ik een examenroute gereden. Maar tijdens het afrijden merk ik dat ik alle lastige punten van Maastricht (oprit Kennedybrug!) van voor tot achter ken. En ik weet hoe je de hellingproef doet zonder handrem.

En meneer Kwasny heeft me drie belangrijke dingen geleerd die 27 jaar later ook over lesgeven blijken te gaan:
1. Een inhaalmanoeuvre begint op het moment dat je je voorganger ziet.
2. Kijken, knipperen, gaan!
3. Toen ik eens met een vaartje van 60 km langs een zijstraatje reed die me niet was opgevallen zei hij: Je moet zien wat je niet ziet.

Ook bij het autorijden blijven dat lastige opgaven.

Collega Jan Bosch draagt in Mongolië kennis over op het gebied van broodbakken. Als hij niet bij ons beleid loopt te kneden. Lees mee. Maar niet alleen brood, ook getoerde degen komen aan bod!

Normen en waarden

Soms (vaak genoeg?) wordt je als docent fijntjes met je eigen normen, waarden, aannames en de hele rataplan geconfronteerd.

Bij een opdracht over (on)gewenst gedrag leggen we de leerlingen verscheidene dilemma’s voor, zoals: Je klasgenoten vertellen racistische moppen of moppen over homo’s. Vertel jij er ook een? Ja? Ook als je ziet dat iemand zich heel erg gekwetst voelt? Nee? En als er iemand van allochtone afkomst, of iemand waarvan je weet dat hij/zij homoseksueel is, net zo goed meedoet met moppen tappen?

Ook vragen we: Je weet dat een medeleerling een wapen in bezit heeft. Ga je dat anoniem melden?
Vanmiddag schreef Petra als antwoord: Misschien zit hij wel bij een schietvereniging.

Hadden we nog niet aan gedacht.

(On)opgemerkt XV: Woorden

Opmerking van een leerling over iemand die volgens hem nogal veel praat: ‘Elke keer als ze uitademt komen er woorden mee.’

Mooi wark

Ik ben nooit bijzonder van de Beatles geweest, maar zo lust ik ze wel:

Vooral omdat ze hun roadies niet vergeten zijn.

[Waar vind je nou zo'n klipje? Nou, je gaat met je lief een weekend naar Amsterdam om je helemaal in de hoge cultuur te storten: vier documentaires op het IDFA bekijken, bezoek aan het Rijksmuseum, tussendoor lazen we de nieuwste Nexus en Groene Amsterdammer. Zelfs de nachtportier in het hotel deed mee aan ons themaweekend: hij had klassieke muziek opstaan en was een boek over de antropologie van wereldreligies aan het lezen. En toen we zaterdagmiddag stonden te wachten op onze Foe-Jong-Hai-to-Go zag ik dit filmpje op de t.v. naast de balie. Cadeautje.]

In vervolg op mijn vorige blog: mijn moeder wijst me net fijntjes op het bestaan van het Rembrandtplein in Amsterdam. Daar ben ik gisteren nog overheen gelopen, maar deze nachtwacht heb ik niet (willen) zien staan.

Zondag eind van de ochtend, Rijksmuseum. Ik loop tussen werk van schilders die ik vooral ken als Amsterdamse straatnaam: Jan Steen, Jacob van Ruysdael, Govert Flinck, Gerard Dou. (Waarom heeft Amsterdam eigenlijk geen Rembrandt van Rijnstraat? Wel een Rijnstraat, maar loopt parallel aan onder meer de Vechtstraat en de Berkelstraat, dus dat telt niet.) Deze werken zijn de Meester-werken van het Rijks, en dat is deze ochtend een zeer waar woord: drie jongens van een jaar of veertien zijn bezig met een werkje van hun leraar: vragen over kunst. Op zondag? Ja, blijkbaar op zondag. Ze zitten op een leren bank naar drie schilderijen te kijken, en blijven steken bij een vraag over het zwart van mijn eerste Van der Helst.
“Dat zwart is geen zwart.”
“Toch wel.”
“Wat is het anders?”
Het is twee tegen één, waarbij die ene de doorzetter is: “Kijk dan zelf!”

Het overleg duurt nog een paar minuten, tot een van de andere twee het wel best vind: “Alles moet bij jou perfect! Je gaat toch alleen maar een V halen!”

Ik ben erg voor openheid, maar sommige dingen moet je als leerling nooit tegen je docent zeggen. Zo heb ik ooit als student in Tilburg de fout gemaakt om tegen docent Hans van Driel te zeggen wat ik het meeste in hem waardeerde: dat hij tijdens zijn colleges lichtjes door zijn knieën zakte bij die zinsnedes die hij echt belangrijk vond. Het eerstvolgende college zag je Hans erg zijn best doen om niet door zijn knieen te zakken. Zonde. Stom van me.

Want hij kan zo enthousiast bewegen (en vertellen) dat ik nog steeds een fan ben van C.S. Pierce. Ook al kan ik me niks meer van die Pierce zelf herinneren. Het was iets met semiotiek, abductie/deductie/inductie (in een bepaade volgorde, toch?), verwondering en nog iets. (Oh, ja, Pierce rijmt op beurs, volgens Pieter Nieuwint). En 20 jaar later, als ik een van die termen hoor of lees of opschrijf, denk ik niet aan de eigenlijke betekenis, maar zie ik Hans licht maar zeer overtuigend door de knieën gaan.

Tijdschrijven

Van de onderwijsraad (sorry, ben even spontaan de hoofdletter vergeten, en te lui om dat aan te passen) moeten docenten doelmatiger gaan werken, en een van de manieren om dat te bereiken is als wij gaan tijdschrijven. Hans de Bruijn zet in Trouw heel helder op een rij wat daar de risico’s van zijn. Nou zie ook ik wel dat er vaak nog heel ondoelmatig wordt gewerkt. Er is zeer weinig uitwisseling tussen docenten - hoezo, kennisintensieve organisatie?. We willen competentiegericht onderwijzen, maar organiseren datzelfde onderwijs nog steeds in vierkante meters, roosters met vierkante uren en vaststaande percentages voorbereidingstijd. En ja, ik vind ook dat er teveel dingescoördinatoren en procesdingesen zijn.
Maar wat kan tijdschrijven ons nou opleveren? Als tijdschrijven de (oké, een) oplossing is, wat is dan het probleem? Het enige wat je weet als iemand heeft tijdgeschreven is wat iemand heeft opgeschreven. Da’s al. Ik heb het ooit gedaan hoor, per 10 minuten bijhouden waar ik mijn tijd aan besteedde. Op mijn voorstel is toen het Tijdschrijven als post om tijd op te schrijven toegevoegd.

[Bloggen: 2 eenheden.]

(On)opgemerkt XIII: Lunch

Ik ben uitgenodigd voor het overleg taalbeleid, zometeen van half 1 tot half 2. Gisteren kreeg ik nog even een reminder, met de zin: ‘Omdat het een lastige tijd is voor een overleg is er voor lunch gezorgd.’

Gedachte 1: Há, da’s attent.
Gedachte 2: Hoi, de financiën zijn hier vooralsnog beter dan bij Midden Nederland (waar zelfs de vergaderkoffie was afgeschaft om geld te besparen).
Gedachte 3: Hé, is half 1 tot half 2 zo’n lastige tijd dan? Goh, nou ik erover nadenk misschien wel. (Al kan ik niet bedenken waarom, maar dat hoeft ook niet altijd bij gevoelens, vinnik.) Ik vond het geen lastige tijd, juist niet, maar als het wel een lastige tijd is zal ik wel iets over het hoofd zien. Maar wat dan?
Gedachte 4: Hú, nou ben ik onrustig.
Gedachte 5: Hó, wat is hier nou echt aan de hand? Is een lunch bij een overleg zo bijzonder? Zelfs als het blijkbaar een lastige tijd is? Of is je lunch je lunch, en hoor je daar geen andere dingen in te doen? Of hoor je tijdens vergaderingen niet te eten?

Oudere Berichten »